You are here: Home Cat. nr. 17
Document Actions

Cat. nr. 17

Thomas Willeboirts Bosschaert
(Bergen op Zoom 1613/14 – 1654 Antwerpen)

Frederik Hendrik als heerser over de zeeën [1650]


17.-Frederik-Hendrik-als-heerser-over-de-zeeën.-Thomas-Willeboirts-Boschaerts.jpg


Doek, 320,5 x 208 cm (noordarm, westwand boven)
Van Gelder 1948/1949, nr. 13; Peter-Raupp 1980, nr. 14; Loonstra 1985, nr. 16; RGD 2001, nr. 20; Van Eikema Hommes en Kolfin 2013, nr. XVII


1. Beschrijving
Frederik Hendrik, gekleed in een antiquiserende wapenrusting, een oranje draperie over de schouders en over de borst een band met het ordeteken van de Kousenband, staat met een drietand in de rechterhand op een grote schelpvormige wagen. De wagen is voorzien van schoepenraderen en wordt voortgetrokken door drie uit het water oprijzende schimmels, waarvan de teugel door Neptunus aan Frederik Hendrik wordt aangereikt. De paarden worden begeleid door een op een schelp blazende triton. Frederik Hendrik wordt met een scheepskroon gekroond door een zwevende, gevleugelde vrouwenfiguur, Overwinning. Achter haar dragen twee wegvliegende putti zijn helm, terwijl achter Frederik Hendrik hoog in de lucht twee windgoden de wolken wegblazen. De figuren worden beschenen door van linksboven invallend licht.

2. Observaties en technische informatie
2.1. drager en grondering
2.1.1. drager
Doek. Doekmaat: ca. 320,5 x ca. 208 cm.; één baan met links en rechts een zelfkant.

Weefseldichtheid:
16,1 (15,5-17) verticale draden/cm en 10,05 (9,5-10,5) horizontale draden/cm

2.1.2. grondering
Het schilderij heeft een dubbele grondering. De onderste is een krijtgrondering met wat rode oker, kwarts en grove omber; waarschijnlijk gebonden in lijm (fig. 1). Daarop is een warme bruinrode oliegrond aangebracht die loodwit, krijt, weinig rode en gele oker en houtskoolzwart bevat (SEM.EDX 2001/16).

cat_nr_17_fig_01 - 16x10-200xsc.jpg
fig. 1. Dwardoorsnede uit de donkere lucht aan de rechter rand van de voorstelling (16/10).
3. donkerblauwe lucht: houtskoolzwart, loodwit, (kleurloze) smalt, rood pigment en één blauw pigmentdeeltje, mogelijk azuriet (20-30
µm)
2. oliegrondering: loodwit, krijt, rode en gele oker en houtskoolzwart (30-40
µm)
1. krijtgrond: krijt en weinig rode oker en grof omber (max 100
µm)

2.1.3. spanraam
oorspronkelijk grenenhouten spanraam
formaat: 320,5 x 208 cm

2.1.4. opspanning van het doek
Naast de gaatjes van de huidige opspanning met touwtjes zijn er sporen van eerdere opspanningen te zien, waaronder om de 8/9 cm gaatjes met roestsporen van kleine metalen nagels, zoals we die ook tegenkomen in het andere schilderij van Willeboirts Bosschaert in de Oranjezaal: Frederik Hendrik en Maurits als veldheren met in het verschiet de slag van Vlaanderen (cat. nr. 09). Evenals dat schilderij vertoont het hier besproken doek allerlei sporen die veroorzaakt zijn door het afspannen en verhangen van het nog natte schilderij in het atelier. De randen van de voorstelling zitten vol afdrukken van vingers en handen, vooral de bovenrand en de rechterzijde bovenaan. Aan de bovenrand zijn bovendien sporen te zien van een houten lat die op de natte verf is gedrukt; deze heeft de verf deels weggeduwd en hier en daar opgestuwd (fig. 2). De schilder lijkt het schilderij aan een lat te hebben gehangen om het te laten drogen. Hierbij hebben houtsplinters zich aan de verf gehecht en is een plooi die zich achter de lat bevond gefixeerd. Het doek vertoont ook sporen van vermoedelijk een tang: we zien krasjes in de verf en een vierkante vorm die door de natte verf is gegleden. Willeboirts Bosschaerts’ andere doek vertoont soortgelijke sporen, die daar verband houden met kleine pinnen waarmee hij het doek had opgespannen; waarschijnlijk ontstonden de sporen toen hij deze pinnen wilde verwijderen. In het hier besproken schilderij zijn bij de tangafdrukken geen sporen van pinnen gevonden.

cat_nr_17_fig_02.jpg
fig. 2. Detail van de bovenrand van het doek.
Afdrukken in de natte verf suggereren dat het doek direct na het schilderen is afgespannen en mogelijk tussen latten geklemd werd opgehangen. Door het schuiven van de latten is de grondering zichtbaar geworden.


2.2. verflaag (Margriet van Eikema Hommes en Lidwien Speleers)
2.2.1. ondertekening en onderschildering
In een snelle, met penseel en naar het lijkt donkerbruine verf uitgevoerde schets zijn de contouren en vormen van de figuren globaal aangegeven. Schetslijnen  van deze ondertekening zijn op diverse plaatsen met het blote oog zichtbaar, zoals in het gezicht van Overwinning (fig. 3) en in haar rechter onderbeen. Ook zijn lijnen van de staf van de triton zichtbaar net boven zijn huidige staf in het been van het middelste witte paard. In de rechterarm van Neptunus zijn 1 cm brede schetslijnen te zien die doorlopen onder zijn baard en gezicht (fig. 8). Met IRR zijn meer lijnen te herkennen en de lijnen die al met het blote oog te zien zijn, worden beter zichtbaar. Zo is met IRR te zien dat de verf van de brede lijnen in de arm van Neptunus aan de randen wat opstaat; de schilder had blijkbaar veel verf op zijn penseel.

cat_nr_17_fig_03.jpg
fig. 3. Detail met het gezicht van Overwinning.
Schetslijnen van de met penseel uitgevoerde ondertekening zijn met het blote oog zichtbaar in het gezicht van de vrouw.


De onderschildering is op een aantal plaatsen zichtbaar, zoals in het harnas en de wapenrok van de stadhouder en in de geelgroene draperie van Overwinning, vooral rechts van haar lichaam. De voorstelling is voorbereid met overwegend gedempte kleuren die gekozen zijn met het oog op het uiteindelijke kleureffect. Sommige vormen zijn met dekkende verf voorbereid terwijl voor andere passages een dun vloeiende, transparante verf is gebruikt. Het harnas is met transparant donkerbruin voorbereid, zoals in de schaduwpartijen te zien is (fig. 7). Hoewel in dit stadium al wat van modellering zou kunnen zijn aangebracht, lijken de vormen tamelijk egaal onderschilderd. In de draperieën lijkt vooral dekkende verf te zijn gebruikt. De geelgroene draperie van Overwinning heeft een grijze doodverf (16/11= fig. 10), terwijl de rode draperie van Neptunus een bruinrode voorbereiding kreeg (2001/51). De draperie van de stadhouder heeft een oranje doodverf (16/7). Het is onduidelijk of deze draperieën bij onderschildering reeds werden gemodelleerd of dat de schilder voor een egale ondertoon koos. De blauwe lucht is onderschilderd met grijze en blauwe tinten (16/9= fig. 1) en de zee met donkerbruin (2001/16). Bij de paarden en de hoorn van de triton ontbreekt een apart stadium van onderschildering. Deze vormen lijken grotendeels nat-in-nat direct op de grondering uitgewerkt. Datzelfde lijkt ook het geval bij de huid van Overwinning (16/12, 16/13, 16/14, 16/15). Over de onderschildering van de overige huidtinten is geen informatie beschikbaar.

2.2.2.
 opmaak
Bij het opmaken lijkt de schilder min of meer gelijktijdig aan de verschillende partijen te hebben gewerkt. Hierbij zette hij de vormen eerst globaal op en voegde later de details toe. Neptunus was bijvoorbeeld grofweg opgemaakt toen de schilder begon met de ervóór geplaatste paarden. Deze dieren werkte hij direct op de grondering vrijwel volledig uit, waarna hij terugkeerde naar de rode draperie van de zeegod om daar de lichtvangende plooien te schilderen. Zodoende overlapt de hiervoor gebruikte rode verf die van het ervóór geplaatste paard. De lucht werd opgemaakt na de figuren. Omdat de schilder hierbij soms ruim om de vormen heen werkte, is de donkerblauwe onderschildering van de lucht hier en daar als donkere rand zichtbaar gebleven, zoals rondom de armen en handen van Neptunus (fig. 4) en onderaan de draperie van Frederik Hendrik.

cat_nr_17_fig_04-detail-met-handen.jpg
fig. 4. Detail met de linkerhand van Frederik Hendrik en de handen van Neptunus.
De helderblauwe lucht is geschilderd voordat aan handen en armen werd begonnen. De lichtblauwe zones in de lucht zijn aangebracht na de handen en armen. Omdat de schilder hierbij soms ruim om de vormen heen werkte, is de donkerblauwe onderlaag van de lucht als donkere rand zichtbaar gebleven. Dit is duidelijk te zien onder Neptunus’ rechterpols.


De huidtinten zijn uitgewerkt met dik vloeiende verven die bij de mannelijke figuren steeds dekkend zijn aangebracht, zowel in de beschaduwde als in de belichte lichaamspartijen. Vooral het gezicht van de stadhouder is zeer dekkend geschilderd, waardoor dit in doorlicht donker aftekent (fig. 5). Overwinning lijkt direct op de grondering grotendeels in één verflaag nat-in-nat te zijn geschilderd. In de lichte (16/15) en middentonen is de verf dekkend aangebracht en in de (half)schaduwen is de verflaag dunner en schemert de grondering er soms doorheen (16/12, 16/13, 16/14). Hierop heeft de schilder na droging nog hooglichten (16/15) en accenten in de schaduwen geplaatst. De schilder koos voor de vrouwelijke huid een bleke verf en voor de mannelijke een warme lichtbruine. Frederik Hendrik heeft een lichtere teint dan de andere mannelijke figuren. De lichamen zijn slechts sporadisch voorzien van, meestal tamelijk zwakke, reflectielichten. In de kale kruin van Neptunus en langs de van planten gevlochten krans om het hoofd van de triton (fig. 11) heeft de schilder de grondering bewust zichtbaar gelaten.
 

cat_nr_17_fig_05.jpg
fig. 5. Doorlichtopname van het schilderij.

De draperieën zijn uitvoerig gemodelleerd met zowel glacerende als dekkende verven. De precieze opbouw verschilt per kleur. De draperie van Overwinning is op de grijze doodverf in de lichte en middentonen uitgewerkt met glacerende groene verf, gemengd uit verditer, wat loodtingeel en krijt (mogelijk van een gele lak) (16/5= fig. 10); in de schaduwen is het groene glacis dikker (16/11). Hierop plaatste de schilder de hooglichten in de stof met fel, dekkend geel. In de rode draperie van Neptunus zijn de lichte en middentonen dekkend opgemaakt en alleen de schaduwen met een glacis, in dit geval uit organisch rode pigmenten (2001/51). In de oranje draperie van Frederik Hendrik is de oranje onderschildering in de middentonen deels opengelaten. In de schaduwpartijen is gekozen voor een glacerende verf met bruine en rode pigmenten (16/7). Tenslotte is de draperie gehoogd met oranje en vervolgens met geel.

De lucht werd op de grijsblauwe doodverf geschilderd met een verf die met name ultramarijn, houtskoolzwart, loodwit en rood bevat in verschillende verhoudingen (KS 16XS, 16/9, 16/10). Aan de horizon gebruikte Willeboirts Bosschaert lichtblauw en geel. Het lichte geel is gemengd uit geel (waarschijnlijk loodtingeel), loodwit, transparante pigmenten, zwart en rood. Voor de bleekblauwe kleur gebruikte de schilder een mengsel van loodwit en smalt (16/9). De vale grijsblauwe kleur van de lucht bovenin het schilderij doet vermoeden dat ook hier smalt is gebruikt, maar dat het pigment in deze partij door veroudering zijn heldere kleur heeft verloren (zie 2.2.4. verouderingsverschijnselen). Op sommige plaatsen werd ook de doodverf zichtbaar gelaten, zoals aan de rechter rand (fig. 1).
Net als het lichaam van Overwinning zijn de paarden direct op de grondering uitgewerkt in vrijwel één enkele verflaag. De modellering is in de belichte partijen verkregen met loodwitverf. Deze is smeuïg in de middentonen, terwijl de hooglichten zijn vervaardigd met een zeer dik aangebrachte taaie ‘droge’ verf (fig. 6). In de schaduwtonen zijn vloeiende grijze verven gebruikt die dun zijn aangebracht, vooral in de halfschaduwen, zodat de roodbruine grondering in wisselende mate doorschemert. Alleen de diepste schaduwen in de hoofden en lichamen zijn met donkerbruin geaccentueerd. De wapenrok en het harnas van Frederik Hendrik zijn op een vergelijkbare manier grotendeels met dekkende en dun vloeiende witte en grijze verf gemodelleerd. Het verschil met de paarden is dat hier op de grondering eerst een transparante donkerbruine doodverf is aangebracht.

Evenals bij de paarden varieerde de schilder de consistentie van zijn verven in de lucht sterk. De donkerblauwe passages zijn met dunne verven geschilderd, terwijl de lichte passages langs de horizon met stroeve, dik aangebrachte verf zijn uitgevoerd. Voor de huidtinten en draperieën is meestal een smeuïge maar vloeiende verf gebruikt. Deze is in belichte partijen het meest ‘droog’ zodat de penseelstreek soms goed zichtbaar is, zoals in het lichaam van de triton. Voor de felste hooglichten gebruikte de schilder opstaande toetsen loodwit, te zien in het harnas, de hoorn van de tritons en in de tanden van het middelste paard (fig. 6). De glanslichten in de kroon van Frederik Hendrik zijn met felgele pasteuze toetsen geschilderd.

cat_nr_17_fig_06 paard 16.JPG
fig. 6. Detail van het middelste paard.
Het paard is direct op de grondering uitgewerkt en in vrijwel één enkele verflaag uitgewerkt. De modellering is in de belichte gebieden verkregen met loodwitverf. Deze is smeuïg in de middentonen, terwijl de hooglichten verkregen zijn met een zeer dik aangebrachte taaie verf. In de schaduwtonen zijn vloeiende grijze verven gebruikt die dun zijn aangebracht, vooral in de halfschaduwen.


De voorstelling is snel en losjes geschilderd met grote verschillen in de mate van uitwerking. Het gezicht van de stadhouder is met verreweg de meeste nuances weergegeven. Het is zorgvuldig gedefinieerd met lichte en donkere schakeringen. In de rest van het schilderij zijn de vormen minder precies ‘omschreven’, meer gesuggereerd met losse toetsen en soms alleen met lijnen aangegeven, zoals de neus en mond in het vlak ingevulde gezicht van Overwinning. Ook binnen een vorm kan de mate van uitwerking variëren. De schilder gaf de lichtvangende delen steeds de meeste detaillering en hield de schaduwpartijen schetsmatig, zoals goed is te zien in de geborduurde rand van de wapenrok en in het harnas van Frederik Hendrik (fig. 7).

cat_nr_17_fig_07 harnas.jpg
fig. 7. Detail van het harnas en de wapenrok van Frederik Hendrik.
Op de grondering heeft de schilder een dunne donkerbruine verf aangebracht waarop hij naar het licht toewerkte met loodwitverf. Door verpoetsing is de verflaag ter hoogte van de buik transparant geworden. Hierdoor is de roodbruine grondering goed zichtbaar.

Willeboirts Bosschaert liet de penseelstreek in verschillende mate zichtbaar. In het precies geschilderde gezicht van Frederik Hendrik is de verf glad verdreven. Datzelfde geldt voor het lichaam van Overwinning, waar de schilder met het gladde verfoppervlak vermoedelijk een zachte vrouwenhuid wilde suggereren. In de ledematen van de stadhouder en in de andere mannelijke figuren is de huidverf daarentegen losjes verdreven. Ook in andere passages is de penseelvoering ingezet ten behoeve van de stofuitdrukking. Zo zijn de wapperende manen van de paarden met zeer lange halen gesuggereerd. In de draperieën van de stadhouder en van Overwinning zijn de felgekleurde hooglichten met snelle, zigzaggende streken aangebracht om de suggestie van een glanzende stof te wekken.

De contouren zijn vrijwel overal met lijnen aangezet, zelfs wanneer vormen door een sterk kleurverschil al goed van elkaar loskomen. De handen en armen van Frederik Hendrik en Neptunus en de lichamen van Overwinning en de putti, die allemaal goed afsteken tegen de blauwgrijze lucht, zijn bijvoorbeeld helemaal omrand (fig. 4). De lijnen variëren van donkerbruin tot warmrood en paarsbruin en variëren ook sterk in dikte. De schilder heeft deze differentiatie gebruikt om de modellering van de vormen te versterken. Zo zijn rondom de paarden de bruine lijnen breed en donker langs de schaduwpartijen, licht en dun langs de lichtvangende delen en is een rode lijn gebruikt voor de uitgelichte mond van het middelste paard. Vormen die met weinig nuances zijn ingevuld, krijgen door hun duidelijke en afwisselende afbakening toch voldoende definiëring. Naast deze (rood)bruine omranding hebben de stadhouder en Neptunus om vrijwel hun hele lichaam een smalle donkerblauwe baan (fig. 4). Zoals hierboven beschreven, is deze tot stand gekomen doordat de donkerblauwe lucht is opgemaakt met lichtblauwe en gele verf die echter niet helemaal tot aan de rand van de figuren is aangebracht, waardoor hier de donkerblauwe doodverf zichtbaar is.

2.2.3.
 veranderingen tijdens het ontstaansproces
De schilder heeft op veel plaatsen vormen gewijzigd. De meeste veranderingen lijken in een tamelijk vroeg stadium van het schilderproces te hebben plaatsgevonden, maar er zijn ook enkele wijzigingen doorgevoerd nadat vormen al grotendeels of misschien al helemaal waren opgemaakt.
Vooral in de figuur van Overwinning heeft de schilder gezocht naar de juiste houding. Boven de voet van haar rechterbeen schemert een eerdere versie van been en voet, waarschijnlijk niet meer dan een schets, door de donkerblauwe lucht. Haar hoofd was in de schetsfase wat lager en en profil weergegeven, zoals te zien is aan de doorschemerende lijnen van een oog, de neus en de mond (fig. 3). Ook de rechterarm van Overwinning lijkt een andere positie te hebben gehad, want bij haar elleboog schemert het blauw van de lucht door. Dit suggereert dat de uitsparing voor de arm eerst hoger zat. De geelgroene draperie, die nu alleen de schoot van de vrouw bedekt, liep oorspronkelijk ook over haar linker bovenbeen. De stof was al grotendeels of misschien al helemaal uitgewerkt, want reeds voorzien van hooglichten, toen hij uiteindelijk werd bedekt met huidkleur. Tegenwoordig schemert de stof door de verf van het been. In het rechter onderbeen van Overwinning  schemeren schetslijnen van de knie en kuit van het linkerbeen door. Dit hoeft niet te wijzen op een positieverandering. Het lijkt er namelijk op dat de schilder bij het schetsen de omtrek van armen en benen volledig uittekende om een natuurlijke houding te garanderen. We zien dit ook in de figuur van Neptunus, waar de schets voor zijn rechterarm doorloopt in zijn gezicht (fig. 8).

cat_nr_17_fig_08.jpg
fig. 8. IRR-opname met Neptunus’ bovenste arm.
De brede  schetslijnen van de ondertekening zijn met IRR goed zichtbaar. De lijnen lopen door in het gezicht van Neptunus.


De schilder heeft ook andere passages veranderd, zij het in mindere mate dan bij Overwinning. Zo zat in de schets het oog van het rechter paard meer naar links en was de snuit van het linker paard kleiner (IRR-opname 16Z). De blauwe franjes van de wapenrok van Frederik Hendrik hingen eerst lager. Ze zouden omhoog kunnen zijn gebracht om niet in één lijn te lopen met de rode mantel. De voeten en benen van Frederik Hendrik werden wat meer naar rechts geplaatst en de leeuwenkopjes, die de bovenrand van zijn slobkousen versieren, zaten in eerste instantie iets hoger (IRR-opname 16Z). Donkere vlekken in het gezicht en het haar van de stadhouder suggereren dat het gezicht twee centimeter naar rechts is verschoven. De arm van de triton was met staf en al in eerste instantie ca. 6 cm hoger geplaatst en zijn hoofd zat meer naar links. De oude versie van de staf is met het blote oog te zien in het been van het linker paard terwijl de oorspronkelijke uitsparing voor de arm is te herkennen in de onderarm erboven. De schelphoorn van de triton was eerst meer van opzij afgebeeld terwijl we er nu van bovenaf in kijken. Ook de figuur van Neptunus lag niet direct vast. Zijn onderste arm is uiteindelijk lager geschilderd, terwijl zijn borst wat meer naar voren werd geplaatst. De huidkleur voor de borst is hierdoor gedeeltelijk over de doodverf van de lucht aangebracht. Sommige vormen werden in een laat stadium door de schilder aan de voorstelling toegevoegd. De linker putto is in zijn geheel over de lucht geschilderd en was dus in eerste instantie niet gepland. De lichtgele en lichtblauwe delen van de lucht aan de horizon zijn geschilderd over een donkere lucht, die dezelfde opbouw in twee lagen heeft als de donkere lucht aan de linker rand (KS16XS). Dit lijkt erop te wijzen dat de schilder pas in tweede instantie koos voor de gele wolken aan de horizon. De dwarsdoorsnede uit dit gebied (16/9) laat vijf verflagen zien: twee donkerblauwe, twee lichtblauwe en een gele.

2.2.4.
verouderingsverschijnselen
Het gebruik van een krijt(lijm)grondering onder de oliegrond heeft als gevolg dat de gevoeligheid van dit doek voor klimaatwisselingen veel groter is dan bij de andere doeken in de Oranjezaal, die alleen een oliegrondering hebben. Hierdoor zijn veel deformaties in het doek ontstaan (zie 2.4.2. conditieopname voor de jongste behandeling).
Het schilderij vertoont verschillende verouderingsverschijnselen die hun oorsprong vinden in de gebruikte verven en de wijze waarop de schilder de verflaag opbouwde. De vele jeugdbarsten vallen onder de laatste categorie. Deze zijn onder andere te vinden in de schaduwen van de draperie van Overwinning, de schouder van de triton en de schaduw van de borst van de vrouw. De leesbaarheid van deze donkere passages wordt hierdoor negatief beïnvloed. In de lichtgele en blauwe delen van de lucht aan de horizon zijn zeer grove jeugdbarsten ontstaan toen de schilder verflaag op verflaag stapelde. De huid van Overwinning zit vol kleine cirkels, een soort kleine kraters, die moeten zijn veroorzaakt door een andere schildertechnische fout. Soms ligt een groot aantal van dergelijke cirkels bij elkaar in groepjes (fig. 9). Dit fenomeen is elders in het schilderij niet aangetroffen. De schaduwen van de oranje mantel van Frederik Hendrik kennen veel schotelvorming en een geprononceerd ouderdomscraquelé dat is veroorzaakt door spanningen in het glacis.

cat_nr_17_fig_09.jpg
fig. 9. Detail van de huid van de vrouw.
De huid van de vrouw zit vol kleine kratertjes, die moeten zijn veroorzaakt door een schildertechnische fout. Soms ligt een groot aantal van dergelijke cirkels in groepjes bij elkaar.


De voorstelling is veel donkerder en heeft minder heldere kleuren dan de andere schilderijen in de Oranjezaal. Dit kan aan verschillende verouderingsverschijnselen worden toegeschreven. In de eerste plaats zou de grondering in de loop der tijd wat donkerder kunnen zijn geworden. Ze bevat krijt, rode en gele aardpigmenten en houtskoolzwart, pigmenten die veel olie nodig hebben om tot verf te worden verwerkt. Het hoge aandeel oliebindmiddel kan een verdonkering van de verf hebben veroorzaakt. Bovendien is er sprake van verzeping in de vorm van kleine loodzeepbolletjes met daaromheen deeltjes loodmenie. De grondering moet echter altijd al donkerder zijn geweest dan die op de andere doeken, want ze bevat veel meer gekleurde pigmenten.

De donkere verschijning van het schilderij is echter voornamelijk veroorzaakt doordat de grondering meer zichtbaar is geworden. Dit komt deels door verpoetsing, zoals op de buik van de stadhouder, maar vooral door de toegenomen transparantie van de verflagen als gevolg van verouderingsprocessen in de verf. Met name loodwithoudende en/of bindmiddelrijke olieverflagen kunnen tijdens veroudering meer transparant worden. De toegenomen transparantie heeft ertoe geleid dat de roodbruine grondering een grotere rol is gaan spelen dan door de schilder bedoeld. De kleuren hebben hierdoor aan helderheid verloren en de oorspronkelijke modellering is, soms aanzienlijk, veranderd, zoals in de paarden en het lichaam van Overwinning. De toegenomen transparantie van de verf heeft er ook toe geleid dat schetslijnen tegenwoordig zeer goed – en vaak storend - zichtbaar zijn, zoals in het lichaam van Overwinning. Ook de vele repentirs zijn nu goed te zien. Zo schemert de lucht door de toegevoegde putto links naast de helm.

De donkere, wat sombere kleurstelling in dit schilderij is ook veroorzaakt doordat diverse ooit helder gekleurde verven zijn nagedonkerd of anderszins hun oorspronkelijke kleur hebben verloren. De vale grijsblauwe kleur van de lucht bovenin het schilderij doet vermoeden dat we hier te maken hebben met een ontkleurde smaltverf. Deze ontkleuring van het blauwe smalt ging gepaard met een verdonkering van het oliebindmiddel, zoals zichtbaar is bij de contouren van de putti waar druipers van bindmiddel tot stilstand kwamen. De lichtblauwe smaltverf van de lucht aan de horizon is beter bewaard gebleven, waarschijnlijk door de aanwezigheid van grote hoeveelheden loodwit in de verf. De smaltverf in het bovenste deel van de lucht zal oorspronkelijk een diepblauwe kleur hebben gehad die aansloot bij de nog helderblauwe verven met ultramarijn. Er was dus een blauwe lucht afgebeeld met geel aan de horizon en in het midden donderwolken. In de lucht zijn tevens veel verticale strepen zichtbaar, vooral in de verf met smalt rondom de putti. Opmerkelijk is dat ook het andere schilderij van Willeboirts Bosschaert in de Oranjezaal, Frederik Hendrik en Maurits als veldheren met in het verschiet de slag van Vlaanderen (cat. nr. 09) dergelijke strepen in de smaltverf van de lucht vertoont. De oorzaak van het verschijnsel is niet bekend, maar lijkt wel gerelateerd aan de instabiliteit van smaltverf.

De draperie van Overwinning is momenteel mosgroen en neigt zelfs hier en daar naar het bruin. De stof moet oorspronkelijk echter heldergroen zijn geweest, zo blijkt uit de pigmenten die de schilder gebruikte voor het bovenste glacis (16/5= fig. 10). De kleurverandering kan zijn veroorzaakt door toegenomen transparantie als gevolg van verzeping -  en dus verdwijning - van het loodtingeel, verbleking van een gele lak en/of verdonkering van het bindmiddel in de groene verven, mogelijk onder invloed van de koperhoudende verditerpigmenten.1 Het resultaat is te zien in de verfdwarsdoorsnede aan de bruine materie die de pigmenten omringt.2 Waar de verf transparant is (geworden) wordt de kleur nog verder naar het bruin getrokken door de doorschemerende bruinrode grondering.

 

cat_nr_17_fig_10- 16x5-200xDF.jpg
fig. 10. Dwarsdoorsnede van de groene draperie (16/5).
Het groene bindmiddelrijke glacis (laag 5), ligt op een grijze onderschildering.
6. vernissen
5. bruine matrix met verditer, loodtingeel, wat loodwit, krijt, mogelijk het substraat van een gele lak (16-24
µm)
4. bruine matrix met bruin, wit, houtskoolzwart (laag heeft sterke fluorescentie; 14-26 µm )
3. grijs: loodwit, zwart, bruin (laag heeft sterke fluorescentie; 14-26 µm)
2. dun in UV-licht fluorescerend uithaallaagje (2-4 µm)
1. oliegrondering: grof loodwit, fijn rood, oranje aardpigment en zwart (max. 40 µm)

De rode draperieën, vooral die van Frederik Hendrik, hebben een vlak modelé, zeker in vergelijking met de draperie van Overwinning, die met sterke tooncontrasten is gemodelleerd. Dit komt hoofdzakelijk doordat de schaduwen in de rode stoffen egaal zijn en te weinig contrast vertonen ten opzichte van de midden- en lichte tonen. Verouderingsprocessen in de verf lijken de oorzaak van dit verschijnsel. In de draperie van Frederik Hendrik lijkt het bruine glacis van de schaduwen gecrepeerd, waardoor deze er nu lichter uitzien en bovendien nuances in de modellering verloren zijn gegaan. De rode organische pigmenten die zijn gebruikt in de geglaceerde schaduwen in de draperie van Neptunus zouden (deels) ontkleurd kunnen zijn, want in een dwarsdoorsnede (2001/51) zijn weinig organisch rode deeltjes herkenbaar, maar in UV-licht is wel de karakteristieke fluorescentie van dit pigment zichtbaar.
De blauwe verven gebruikt in de kledij van Frederik Hendrik en de doek van de triton zijn weinig helder van kleur. De schilder heeft deze passages waarschijnlijk geschilderd met azuriet in lijnolie (16A10 bindmiddelanalyse onduidelijk door vervuiling, wat olie aangetoond). De vergeling van de olie heeft het oorspronkelijke diepblauw in de richting van groen doen verschuiven. Alleen waar veel loodwit in de verf is gemengd, zoals in de hoogsels op Frederik Hendriks kleding, is de helderblauwe kleur behouden.

2.3. signatuur en opschriften
2.3.1. signatuur
geen

2.3.2. opschriften
geen

2.3.3. opschriften met houtskool op het pleisterwerk in de Oranjezaal
wandvak noordarm links, in het midden op 195/135 cm boven de vloer:
Wilboorts de Seetriumphe ¯ Soutman  ¯B[.]a[.]m[.]n

2.4. restauratie
2.4.1. onderzoeksgegevens restauratiegeschiedenis
geen nadere gegevens beschikbaar

2.4.2. conditieopname voor de jongste behandeling
 
Raam onverstoord gebleven. De verflaag was op diverse plaatsen tot op de grondering verpoetst, zoals in het harnas van de stadhouder ter hoogte van zijn buik (fig. 7). Het doek vertoonde sterke deformaties en de oorspronkelijke opspanning was niet meer functioneel. De oorspronkelijke randen en touwtjes waren doorgescheurd en aan de onderkant was het doek gerafeld. In het midden van het doek bevond zich een lang verticaal spoor van waterschade. Er was verfverlies aan de onderkant en midden links. Oude verkleurde retouches in dezelfde zones wijzen op herhaalde slechte hechting van de verflagen. In UV-licht waren er duidelijk vier vernislagen te onderscheiden, die sterk waren vergeeld; in het midden van de compositie was de vernis gecrepeerd.

2.4.3. jongste behandeling 
Na het wegnemen van de facings van Japans papier werd het verfoppervlak op de gangbare wijze ontdaan van oppervlaktevuil en gefixeerd. Het doek werd van het spanraam afgehaald om de deformaties te kunnen vlakken. De gaten en scheuren in het doek werden op de gebruikelijke manier hersteld. Aan de boven- en onderkant werd een randdoublering aangebracht. De vernislagen en oude retouches werden verwijderd, de lacunes gevuld en geretoucheerd. Een nieuwe vernis werd aangebracht in harmonie met de verzadiging op de andere schilderijen van de noordwand.
Restauratoren: SSt, KS, JvdW, EV, JvO, NvdW.

3. Documenten en bronnen
3.1. documenten en bronnen gerelateerd aan het ontstaan van het schilderij
3.1.1. geschreven bronnen
1. Plattegrond van de Oranjezaal en omschrijving van de schilderijen uit de middelste rang in het handschrift van Van Campen (KHA, A 14: Frederik Hendrik, inv. nr. XIII – 23, fol 8, 9). Op de plaats van de Frederik Hendrik als heerser over de zeeën vermeldt Van Campen: ‘ D Daer Sijn Hoogheijt ontfangt de Reegeering vande Vereenighde provintie’.

2. Plattegrond van de Oranjezaal en omschrijving van de schilderijen in het handschrift van Post met aantekeningen van Huygens (KHA, A 14: Frederik Hendrik, inv. nr. XIII – 23, fol. 6, 7). Op de plaats van Frederik Hendrik als heerser over de zeeën vermeldt Post: ‘10. sijn hoogh. op een baterij, apollo presenteert de toomen van sijn paarden’.  Een aantekening van Huygens vermeldt op deze plaats een ‘Inleidinghe tot de Vergaderinghe van State’.

3. Opmerkingen van Huygens gerelateerd aan de omschrijving van Post met aantekeningen van Huygens (nr. 2) (KHA, A 14: Frederik Hendrik, inv. nr. XIII – 23, fol. 12): ‘10. Staten niet Batreye’.

4. Memorie van Van Campen voor ‘Signor Willeboors’ (KHA, A 14: Frederik Hendrik, inv. nr. XIII – 23, fol. 21):
 ‘Seevittorie. Sijn hoogheijt gewapent staende op den waegen van Neptuijn, die hem de teugels in de hant geeft. De paerden met mosselen en oesters en ander seegewas in de maene hangende.
In de loght de fortuijn die hem de scheepscroon boven ‘t hoofd houdt.
De beelden groot 6 voet. Reghte dagh.
Het stuc hoogh 10 voet 2 duijm, breet 6 voet 6 duijm.
Staet uijt de vloer 16 voet hoogh.
Alle Rijnlantse maet’.

5. Gissinge van Van Campen, 10 Maij 1649 (KHA, A 14: Frederik Hendrik, inv. nr. XIII – 23, fol. 17):
Het schilderij is een van de ‘8 stucken boven 400 3200’.

6. Brief van Huygens aan Amalia van Solms 16-08-1649 (Worp 1911-1917, deel V nr. 4969). Bij een bezoek aan Antwerpen begin augustus 1649 blijkt Willeboirts Bosschaert reeds bezig te zijn met een modello: ‘…A Anvers je vis il y a cinq ou sic jours les eschantillons ou modelles de Willeboirt et goncales des pieces qui leur ont esté ordonnées, et je fay estat de les trouver à la Haye, pour les monstrer à V.A. et en scavoir ses sentiments, san quoy je n’ay rien voulu prendre à ma charge…’.

7. Brief van Willeboirts Boschaert aan Huygens 05-09-1649 (Worp 1911-1917, deel V nr. 4976):
‘Den uwen is mij wel geworden ende [heb] verstaen, dat de schetsen noch niet ontfangen waeren; ben daerover verwondert, want Sr. Gonsales heeft de mijne twee doen haelen om s’anderdaechs wech te seynden, wel vier ofte vyf daegen te voren, eer ick Ued.s brief ontfangen hebbe, doch twyffele niet, oft sullen nu al ontfangen wesen; ende isser yets, datt by Ued. ofte Mons.r van Campen gevonden werdt niet wel te wesen, dat ick maer mach hebben een kleijn letterken, sal mij daernaer reguleren. Vorders bedancke Ued. ten hoochsten van de sorge in dese affairen voor my gdraegen; sal grootelycx verschuldicht blijven ende ondertusschen altyts trachten te mogen syn en blyven … Antwerpen, 5 Septemb. 1649.’

8. Brief van Willeboirts Boschaert aan Huygens 13-12-1649 (Worp 1911-1917, deel V nr. 5014): ‘…Ick seijnde met brenger deses twee stucken voor Syne Hoocheyt; in het eene is een vrouken naect, t’gene hier van de schilders geoordeelt wort het beste naect, dat ick oyt gemaeckt hebbe, doch ick wete niet, oft d’opinien daer sullen overeenkomen.’
Volgens Peter-Raupp betreft ‘een vrouken naect’ waarschijnlijk de zwevende ‘fortuijn’ in Willeboirts Bosschaerts schilderij,3 maar volgens Heinrich verwijst het naar een heel andere voorstelling.4

9. Brief van Willeboirts Boschaert aan Huygens 19-03-1650 (Worp 1911-1917, deel V nr. 5033):
‘…Aengaende wanneer ick mijne stucken ende Sr. Jordaens en Sr. Gonsales sy de haere sullen gedaen hebben, ick hebbe voor desen wel gehoort, dat H.H. te voren hadde staet gemaeckt van de stucken te hebben tegen Maijo, waernaer ick mij hebbe gereguleert, in de hope daer tegen gedaen te hebben oft seer naer, ende Sr. Gonsales segt van gelijcken, doch Sr. Jordaens meijnt, dat hij van af bijkans gedaen heeft, soo ick verstaen hebbe. …’.

3.1.2. tekeningen, olieverfschetsen
geen

4. Commentaar
Evenals bij de twee andere schilderijen op de bovenste rij in de noordarm (cat. nrs. 16 en 33), die is gewijd aan het politieke en militaire leven van de stadhouder, lag het onderwerp van het schilderij op de bovenste rij van de westwand niet vanaf het begin vast. Van Campen voorzag hier aanvankelijk ‘…Sijn Hoogheijt ontfangt de Reegeering vande Vereenighde provintie’, terwijl Post hier ‘sijn hoogh.op een baterij, apollo presenteert de toomen van sijn paarden’ noteerde waarbij Huygens echter aantekende dat het ‘Staten niet Batreye’ moest worden. Uiteindelijk is gekozen voor een onderwerp waarin de militaire prestaties van Frederik Hendrik op zee benadrukt worden.5  Dit sluit iconografisch aan bij de vloot die links op Van Thuldens Nederlandse Maagd biedt Frederik Hendrik het opperbevel aan (cat. nr. 16) te zien is en verwijst naar het opperbevel van de stadhouder over de maritieme troepen, een onderwerp dat anders niet aan bod zou komen.6

Conform de ongedateerde Memorie van Van Campen beeldt Willeboirts Bosschaert Frederik Hendrik in wapenrusting af, terwijl Neptunus hem de teugels aanreikt van de drie schimmels die zijn gespannen voor de wagen van de zeegod, waarop de stadhouder staat. Hem wordt een met voorstevens van schepen versierde kroon boven het hoofd gehouden door een zwevende vrouw, die, zoals Peter-Raupp naar voren bracht, niet de door Van Campen voorgeschreven ‘fortuijn’ personifieert, maar Overwinning.7  Ook wat betreft andere details volgt Willeboirts Bosschaert Van Campens Memorie niet precies. Zo beeldt hij de paarden zonder ‘mosselen en oesters en ander seegewas in de maenen’ uit en voegt hij een op een schelpenhoorn blazende triton toe. Zowel de paarden als de triton zijn gebaseerd op de Overtocht van de kardinaal infante Ferdinand van Oostenrijk, een van de ontwerpen van Rubens voor de decoratie van de Blijde Intocht in 1635 te Antwerpen, die door Van Thulden in prent werden gebracht.8

Schildertechniek en picturale middelen (Margriet van Eikema Hommes en Lidwien Speleers)
Voor deze voorstelling met Frederik Hendrik als heerser over de zeeën is een ander doek gebruikt dan voor de andere schilderijen in de Oranjezaal en ook de grondering wijkt af. De zeven andere doeken op de bovenste rij van hetzelfde formaat bestaan uit twee aan elkaar genaaide banen doek van tamelijk fijn geweven stof, die door de Haarlemse plamuurder François Olivier waren voorzien van een warmbeige oliegrondering. Het hier besproken doek bestaat echter uit slechts één baan, is grover van structuur en heeft een dubbele grondering; eerst een witte krijt(lijm)grondering met daarop een bruinrode oliegrond bestaande uit loodwit, krijt, rode en gele oker en houtskoolzwart (fig. 1). De bruinrode grondering is aan het verfoppervlak op diverse plaatsen zichtbaar, vooral in de lucht rechts, in de paarden (fig. 6) en in de wapenrok van Frederik Hendrik (fig. 7).
Dat bij de  Frederik Hendrik als heerser over de zeeën  zowel doek als grondering afwijken, kan verklaard worden doordat Willeboirst Bosschaert pas in tweede instantie de opdracht voor zijn andere werk in de Oranjezaal in de wacht sleepte: Frederik Hendrik en Maurits als veldheren met in het verschiet de slag van Vlaanderen (cat. nr. 09). Oorspronkelijk zou de Brusselse schilder Gaspar de Crayer (1584-1669) dat schilderij voor zijn rekening nemen. Deze bedankte echter voor de opdracht, zo weten we uit een brief van 16 augustus 1649 van Huygens aan Amalia van Solms (zie cat. nr. 09), waarna de opdracht naar Willeboirts Bosschaert ging. Uit de brief van Huygens aan Amalia kunnen we afleiden dat Willeboirts Bosschaert in augustus 1649 de opdracht voor Frederik Hendrik als heerser over de zeeën had ontvangen en toen al wel bezig was met het ontwerp, maar nog niet met het schilderen zelf. Waarschijnlijk zond hij dit ontwerp, samen met een ontwerp voor Frederik Hendrik en Maurits als veldheren begin september 1649 naar Den Haag ter goedkeuring. Pas na het verkrijgen van die goedkeuring zal hij daadwerkelijk aan het schilderen van beide werken begonnen zijn, waarna hij begin 1650 in een brief aan Huygens aangeeft dat hij voorzien heeft om beide schilderijen rond mei te hebben voltooid. Uit de documenten wordt duidelijk dat de schilder in een vrij krap tijdsbestek aan beide schilderijen werkte. Hoogstwaarschijnlijk beschikte hij, toen hij met schilderen begon, maar over één, met een ‘standaard’ beige oliegrondering voorzien doek. Het andere, dat ongetwijfeld ook voor deze opdracht was vervaardigd, kwam blijkbaar niet bij Willeboirts Bosschaert terecht en was hoogstwaarschijnlijk in het atelier van De Crayer achtergebleven. Hij schilderde daarom één van zijn twee opdrachten op een afwijkend doek. Dit werd echter niet Frederik Hendrik en Maurits als veldheren maar het hier besproken schilderij.

De roodbruine grondering in Frederik Hendrik als heerser over de zeeën is een stuk donkerder dan die in de andere doeken. De lichte kleur van de ondergrond zal onder meer zijn bepaald met het oog het behoud van de voorstelling. Het was in de zeventiende eeuw bekend dat kleuren beter bewaard blijven op een lichte grondering dan op een donkere ondergrond. Een donkere oliegrond kan immers (soms zelfs sterk) nadonkeren. De gebruikte pigmenten - zoals zwart, en bruine en rode aarde - hebben relatief veel olie nodig om tot verf te worden verwerkt en juist vooral in olierijke verf kan de natuurlijke vergeling of verdonkering van het oliebindmiddel een storend effect opleveren. Een lichte grondering draagt er bovendien toe bij dat de voorstellingen zelfs bij geringe belichting leesbaar blijven omdat het invallende (dag)licht op de lichte ondergrond weerkaatst, terwijl dit bij een donkere grond wordt geabsorbeerd. Hoewel de roodbruine grondering in dit schilderij zeker wat kan zijn nagedonkerd, was deze altijd al een stuk donkerder dan de grondering op de andere doeken, want ze bevat een veel hoger aandeel gekleurde pigmenten.

Hoewel Willeboirts Bosschaert in zijn opdracht voor de Oranjezaal op twee verschillend gekleurde gronderingen werkte, had dit weinig invloed op zijn schildertechniek. Dit is verrassend omdat we uit eerdere studies naar zestiende- en zeventiende-eeuwse schilders weten dat de kleur van de grond de schildertechniek aanzienlijk kan beïnvloeden.9  Bij een lichte grond kan men vooral in de lichte en middentonen de kleur van de grondering zichtbaar laten. Ook kan men deze laten doorschemeren in de schaduwen om deze, door middel van lichtreflectie op de lichte grond, levendig en leesbaar te houden. Bij een donkere grondering moet de schilder de kleuren in de belichte passages juist tamelijk dik aanbrengen om de donkere grondering voldoende af te dekken. In de schaduwen zal hij de verf dun aanbrengen omdat de donkere grond deze passages al voldoende diepte geeft. Een donker getinte ondergrond vergemakkelijkt ook een snelle werkwijze omdat de donkere basis de voorstelling een bindende ondertoon verschaft, waardoor de verschillende elementen in het schilderij gemakkelijk tot een eenheid kunnen worden gebracht. Deze verschillen in benadering zien we slechts zeer ten dele terug in de twee doeken van Willeboirts Bosschaert. Het lijkt daarbij of de schilder de meeste ervaring had met werken op een lichte ondergrond; hiervan maakte hij effectief gebruik in het eindresultaat terwijl hij in het andere werk de mogelijkheden van een donkere basis onbenut liet.

In Frederik Hendrik en Maurits als veldheren heeft Willeboirts Bosschaert de draperieën dekkend uitgewerkt, evenals het lichaam van Overwinning en het gezicht van Maurits. In alle andere passages is efficiënt gebruikgemaakt van de lichte grondering. Hier zijn de vormen in transparante verven onderschilderd en slechts dun en met losse toets opgemaakt, vooral in de middentonen. In het gezicht van Frederik Hendrik en diens witte paard en de vleugels van Overwinning ontbreekt zelfs een doodverf. De schilder gebruikte hier de grond als ‘basis’ omdat de lichtbeige kleur ervan vrijwel overeenkomt met hetgeen hij wilde afbeelden. Hij benutte ook de lichtreflectie op de lichte grondering om luminositeit te geven aan donkere partijen. Deze zijn dun geschilderd, zoals te zien in het bruine paard en in de schaduwen van de harnassen. In Frederik Hendrik als heerser over de zeeën zien we in grote lijnen dezelfde toepassing van dekkend en transparant geschilderde passages. In de huidtinten van de stadhouder, de andere mannelijke figuren en de draperieën is de verf tamelijk dik en gesloten aangebracht zodat de grondering volledig is afgedekt. De paarden en het harnas zijn, net als bij Frederik Hendrik en Maurits als veldheren, dun en losjes geschilderd zodat de grondering zichtbaar is gebleven.

Toch zijn er tussen beide schilderijen ook verschillen in techniek aan te wijzen. Het opmerkelijkste verschil betreft de opbouw van de beide vrouwelijke figuren. In de Heerser over de zeeën is Overwinning direct op de donkere grondering gemodelleerd. In Frederik Hendrik en Maurits als veldheren is zij echter uitgebreid onderschilderd met zandkleurige en bruine verf waarbij de modellering van de figuur al is aangegeven. De keuze voor het al of niet gebruiken van een doodverf zou met de kleur van de grondering kunnen samenhangen. Bij Frederik Hendrik en Maurits als veldheren gebruikte Willeboirts Bosschaert de bruine doodverf in de beschaduwde vormen van Overwinning. Hij bracht de opmaakverf dun aan, zodat de bruine onderlaag doorschemerde in het eindresultaat, zoals te zien bij haar arm boven het hoofd van Maurits. Bij de Heerser over de zeeën verschafte de roodbruine grond de schilder reeds de juiste basis voor Overwinning, waardoor de doodverf achterwege kon blijven. De schilder liet nu de grondering hier en daar doorschemeren in de schaduwen, ook al is dit effect door de toegenomen transparantie van de opmaakverf door veroudering zeker sterker geworden.

In andere passages bij de Heerser over de zeeën lijkt de schilder zich niet te hebben bekommerd om de kleur van de grondering. Zo zijn de huidtinten van de mannelijke figuren steeds zeer dekkend aangebracht, terwijl hun teint vrijwel overeenkomt met de kleur van de grondering. Ook in de rode en oranje draperieën zijn steeds dekkende verven gebruikt, al had de grondering ook hier uitstekend van pas kunnen komen. De oranje draperie van Frederik Hendrik is bijvoorbeeld op precies dezelfde manier geschilderd als de oranje sjerp in Frederik Hendrik en Maurits als veldheren. Op een dekkende oranje basis is met losse toets gediept en gehoogd. Er zijn in het hele schilderij maar twee kleine plekjes waar de donkere grondering bewust is opengelaten. Deze is gebruikt als basistoon voor de krans van zeewier op het hoofd van de triton en voor de kale kruin van Neptunus (fig. 11). De Heerser over de zeeën lijkt gezien de losse - soms zelfs wat rommelige - penseelvoering, heel snel geschilderd. Wanneer de schilder meer gebruik had gemaakt van de kleur van de grondering, had hij zijn werktempo zeker nog kunnen verhogen.

cat_nr_17_fig_11.jpg
fig. 11. Detail met de van zeewier gevlochten krans om het hoofd van de triton.
De grondering is opengelaten rond de bladeren.


Een interessante vergelijking bieden de witte paarden in beide doeken. Deze zijn in beide werken direct op de grondering grotendeels in één keer nat-in-nat uitgewerkt. Het modelé van de dieren is in de lichte en middentonen vooral verkregen door de mate van dekkendheid van de loodwitverf te variëren. De schaduwen zijn met dun aangebrachte grijzen tot stand gekomen. Bij Frederik Hendrik en Maurits als veldheren vormde de lichte grondering hiervoor een uitstekende basis, maar bij de Heerser over de zeeën was dit uiteraard minder het geval. Om de donkere grondering afdoende af te dekken moest Willeboirts Bosschaert de loodwitverf hier in veel grotere gebieden dekkend aanbrengen. Terwijl hij in Frederik Hendrik en Maurits als veldheren in de middentonen de grondering zichtbaar liet, werden deze passages in Heerser over de zeeën met dekkende loodwitverf ingevuld. In de hooglichten is de verf zelfs heel pasteus aangebracht. De schilder gebruikte hiervoor zeer dikke, ‘droge’ verf waarin de kwaststreek goed zichtbaar is.

Weliswaar hebben de verschillende gronderingen niet geleid tot verrassende verschillen in schildertechniek bij de beide werken, ze hebben wel ingrijpende gevolgen gehad voor de wijze waarop de schilderijen de tand des tijds hebben doorstaan. De Frederik Hendrik als heerser over de zeeën wijkt niet alleen af van Frederik Hendrik en Maurits als veldheren maar ook van alle andere schilderijen in de Oranjezaal, omdat het werk veel donkerder van toon is en de kleuren minder helder zijn. In de kunsthistorische literatuur wordt het ‘ […] doffe koloriet van overwegend okers, bruinen en grijze schakeringen […]’ negatief beoordeeld.10  Het sombere kleureffect lijkt echter grotendeels door veroudering te zijn ontstaan. De toegenomen transparantie van de verflagen heeft hierbij een aanzienlijke rol gespeeld. Vooral loodwithoudende en/of bindmiddelrijke olieverflagen kunnen in de loop der tijd hun oorspronkelijke dekkracht verliezen In de Heerser over de zeeën heeft de toegenomen transparantie ertoe geleid dat de roodbruine grondering een grotere rol is gaan spelen dan door de schilder bedoeld. De kleuren hebben hierdoor aan helderheid verloren en de oorspronkelijke modellering is, soms aanzienlijk, veranderd. Dit effect is goed te zien bij de witte paarden. Tegenwoordig zijn er wat betreft de modellering van de dieren in beide schilderijen grote verschillen. In Frederik Hendrik en Maurits als veldheren heeft Frederik Hendriks paard bleke, gedifferentieerde schaduwen die geleidelijk overgaan in de belichte passages. Bij Frederik Hendrik als heerser over de zeeën is er een abrupte scheiding tussen de lichte tonen en de diepe schaduwzones, die vanaf de vloer gezien vrijwel egaal van invulling lijken te zijn (fig. 6). In het begin moeten de dieren echter sterk op elkaar hebben geleken. De toegenomen transparantie van de loodwitverven heeft bij Frederik Hendrik en Maurits als veldheren geen storende gevolgen gehad dankzij de lichte grondering. Bij Frederik Hendrik als heerser over de zeeën is het effect echter aanzienlijk. Vooral in de met dunne grijzen gemodelleerde halfschaduwen is de roodbruine grondering een grote rol gaan spelen. Deze passages zijn nu warm van toon en de overgang van licht naar donker is meer abrupt geworden. Dit wekt de suggestie dat de paarden door een fel en geconcentreerd licht worden beschenen dat afwijkt van het meer diffuse licht in de overige passages van het schilderij. Ook in andere delen van de voorstelling heeft de toegenomen transparantie tot storende kleur- en modelé-veranderingen geleid. Zo heeft de linker putto een sombere, grijze huidskleur gekregen doordat de wolkenlucht er nu doorschemert.

De donkere kleurstelling in de Heerser over de zeeën is ook veroorzaakt doordat allerlei ooit helder gekleurde verven zijn nagedonkerd, of op een andere manier hun oorspronkelijke kleur zijn verloren. Daarbij hebben jeugdbarsten, die vaak in de donkere kleuren zijn opgetreden, de leesbaarheid van diverse passages negatief beïnvloed, zoals te zien in de schaduwen van de draperie van de vrouw en de schouder van de triton. De vale grijsblauwe kleur van de lucht bovenin het schilderij doet vermoeden dat we hier te maken hebben met een ontkleurde smaltverf. De draperie van Overwinning zal, gezien de gebruikte blauwgroene en gele pigmenten, oorspronkelijk frisgroen zijn geweest terwijl deze tegenwoordig mosgroen van kleur is en zelfs hier en daar naar het bruin neigt. Dit effect lijkt veroorzaakt door het verdonkeren van het oliebindmiddel in combinatie met de degradatie van pigmenten. Een verdonkering van het bindmiddel lijkt ook opgetreden in de azurietverf die gebruikt is voor de, tegenwoordig groenachtig blauwe, kledij van Frederik Hendrik en de doek van de triton. Het oorspronkelijke veel helderder blauw is alleen in de hooglichten van de kleding bewaard gebleven, waar (meer) loodwit onder de verf is gebruikt.
Kleurveranderingen hebben tevens het door de schilder bedoelde modelé verstoord. Zo zijn in de genoemde draperieën de tooncontrasten tussen de belichte en beschaduwde passages groter geworden. Andere draperieën hebben door veroudering juist een heel vlak modelé gekregen. Het glacis van organisch rood dat de schilder gebruikte om de schaduwen van de rode draperie van Neptunus te modelleren lijkt verbleekt, zodat de schaduwen tegenwoordig egaal van invulling zijn en onvoldoende contrasteren met de midden- en lichte tonen. De vlakke en fletse schaduwen in de draperie van Frederik Hendrik lijken veroorzaakt door crepering van het bruine glacis dat de kunstenaar in deze passages heeft gebruikt. Tenslotte heeft de krijt(lijm)grondering de gevoeligheid van dit doek voor klimaatwisselingen sterk verhoogd. De vele hierdoor ontstane deformaties in het doek verstoorden eveneens de leesbaarheid van de voorstelling, maar deze konden tijdens de laatste restauratie grotendeels verholpen worden.



[1]

Gunn e.a. 2002.

[2]

Eenzelfde verdonkering is te vinden in dwarsdoorsnede 2001/52 uit De Brays Deel van de triomfstoet, met veroverde wapenen (cat. nr. 13). Ook hier zijn koperhoudende pigmenten gecombineerd met een gele lak.

[3]

Peter-Raupp 1980, p. 81 noot 5.

[4]

Heinrich 2003, p. 438 noot 700.

[5]

Zie Peter-Raupp 1980, pp. 81-84, voor een uitvoerige analyse van de iconografie.

[6]

Kolfin 2012, p. 72.

[7]

Peter-Raupp 1980, p. 83.

[8]

Martin 1972, pp. 49-56.

[9]

Miedema en Meijer 1973; Miedema en Meijer 1979. Over de toepassing van lichte en gekleurde gronden door Rembrandt, zie: Van de Wetering 1997, hoofdstuk 2 en hoofdstuk 8; door Caravaggio, zie: Keith 1998.

[10]

Heinrich 2003, p. 311: ‘…die matte Farbgebung aus vorwiegend ockerfarbenen, braunen und grauen Werten …’.

Datum laatste wijziging: Jun 11, 2015 11:29 AM