You are here: Home Cat. nr. 29
Document Actions

Cat. nr. 29

Theodoor Van Thulden
(‘s-Hertogenbosch 1606 – 1669 ‘s-Hertogenbosch)

Deel van de triomfstoet, met gevangenen 1648


29.-Deel-van-de-triomfstoet--met-gevangenen.-Theodoor-van-Thulden.jpg

Doek, 382,5 x 205 cm (zuidarm, oostwand onder)
Van Gelder 1948/1949, nr. 30; Peter-Raupp 1980, nr. 26; Loonstra 1985, nr. 23; RGD 2001, nr. 7; Van Eikema Hommes en Kolfin 2013, nr. XXIX


1. Beschrijving
Onder een boog drijven soldaten een vrouw met naakt bovenlichaam, twee naakte mannen en een zestal voorovergebogen kinderen voor zich uit. De handen van de vrouw, het voorste kind en de twee mannen zijn op de rug geboeid. Rechts wrijft een kind de tranen uit haar ogen, terwijl links een meisje haar armen in een klaaggebaar kruiselings voor de borst houdt. Een hond kijkt toe. Een van de soldaten maakt met zijn geharnaste arm een slaande beweging naar een mannelijke gevangene. Achter deze soldaat is te midden van vaandels een stang met wapenschilden te zien; het bovenste schild draagt het wapen van Den Bosch en het schild daaronder dat van Breda. De stang wordt bekroond door het goudkleurige beeld van een zittende, gelauwerde Overwinning, met in haar handen een palmtak en een lauwerkrans. Schuin achter dit beeld is een gebeeldhouwde marmeren, eveneens gelauwerde kop te zien. De vaandels dragen niet te identificeren heraldische motieven, met uitzondering van het vaandel geheel links waarop de letters S.P.Q.L. zijn te ontwaren. Dit vaandel wordt bekroond door een F die is omgeven door een lauwerkrans.

2. Observaties en technische informatie
2.1. drager en grondering 
2.1.1. drager
Doek. Doekmaat: ca. 385 x 218 cm. Twee verticale banen: beide 109 cm breed. Zelfkanten: aan beide kanten van de naad en langs de linker- en rechterrand. De linker- en rechterrand zijn eenmaal omgevouwen en vastgezet met een overhandse steek (fig. 1). Onder en boven tweemaal omgevouwen en vastgezet met een overhandse steek. 

cat_nr_29_fig_01.JPG
fig. 1. Opschrift op de omgeslagen linkerrand van het doek.

Weefseldichtheid:
linkerbaan 12,75 (12-13,5) verticale draden/cm en 12,2 (11,5-13) horizontale draden/cm
rechterbaan 12,9 (12,5-13,5) verticale draden/cm en 12,55 (11,5-13,5) horizontale draden/cm
Gezien de overeenkomsten in het aantal draden per cm komen beide banen zeer waarschijnlijk uit dezelfde rol doek.

2.1.2. grondering
Eén gronderingslaag, die loodwit en een beetje omber bevat (23/2, 32/1, 2001/37).

2.1.3. spanraam
oorspronkelijk grenenhouten spanraam
formaat: ca. 382,5 x 205 cm

2.1.4. opspanning van het doek
De randen van het doek bevatten de gebruikelijke sporen van de opspanning van de grondeerder, het positioneren van het doek en de opspanning met touwtjes op het definitieve raam.

2.2. verflaag (Margriet van Eikema Hommes en Lidwien Speleers)
2.2.1. ondertekening en onderschildering
De ondertekening is een snelle, met penseel en bruine verf uitgevoerde schets, waarmee de figuren globaal zijn aangegeven. De lijnen schemeren op veel plaatsen door de verflaag, onder andere in de contour en de wenkbrauw van de slaande soldaat (fig. 2), in de tors van de gevangen man rechts (fig. 6) en bij de vingers van het meisje met gekruiste armen op de voorgrond.

cat_nr_29_fig_02.jpg
fig. 2. Detail met gezicht van de slaande soldaat.
De ondertekening is onder andere zichtbaar in de contour en de wenkbrauw. De bruine gewassen doodverf is zichtbaar bij de ogen en de slaap. De eerste versie van de slaande arm schemert door de verf van het gezicht en het haar.

In de onderschildering, die grotendeels zichtbaar is, bepaalde de schilder het 
modelé en de kleur van de voorstelling. De voorwerpen en mensen in de achtergrond zijn in hun geheel met dun vloeiende bruine en grijze verf (fig. 2 en 7) gemodelleerd die, gezien het streperige effect, snel lijkt te zijn uitgeborsteld. Bruine transparante verven zijn ook gebruikt in de lichamen op de voorgrond maar dan alleen in de schaduwen, zoals te zien rondom de ogen van de slaande soldaat (fig. 2), in de handen van de geboeide man links en in de tors van de gevangen man rechts (23/1 = fig. 3 en 6). Van Thulden mengde deze bruine verven in de lichamen van de man en de vrouw uit rode, gele en bruine aardpigmenten, loodwit en zwart in verschillende samenstellingen, mogelijk vanwege hun verschillende huidtype (23/1, 23/2, 23/3). De belichte delen van de lichamen van de voorste figuren kregen een bleke huidkleurige verflaag (fig. 5 en 6). De lucht (smalt en loodwit) is met bleekblauw (loodwit en smalt) voorbereid (23/6) en de draperieën in gedempte kleuren, zo heeft het rode kleed van het jongetje een roodbruine basis (2001/37). 

cat_nr_29_fig_03 323x1-100xsc.jpg
fig. 3. Dwarsdoorsnede 23/1 uit een de halfschaduw vlak boven de navel van de gevangen man rechts, in normaal licht.
3. bindmiddelrijke semitransparante witte laag die in UV-licht sterk fluoresceert. De verf bevat vooral krijt, weinig loodwit, organisch bruin, en enkele transparante deeltjes die lichtgeel fluoresceren in UV-licht, hetgeen mogelijk op de aanwezigheid van een gele lak duidt (20-40
µm)
2. dunne bruine verflaag: lichtbruine matrix met loodwit, bruin, houtskoolzwart, rood, gele aardpigmenten, wat smalt, krijt (transparant, mogelijk een gele lak)
(15-25
µm)  
1. grondering: loodwit, weinig omber


2.2.2. opmaak
Van Thulden heeft op de doodverf de voorstelling slechts summier uitgewerkt. Hierdoor overlapt de verf van een zone zelden de omringende vormen, waardoor de werkvolgorde bij het opmaken niet is af te lezen. De onderschildering is in de poort vrijwel volledig zichtbaar gelaten. In de lichamen in de achtergrond zijn met loodwithoudende bleekroze of blauwgrijze, veelal verdunde verven alleen wat lichte accenten aangegeven. Ook de gevangen man en kinderen vooraan in de stoet zijn spaarzaam opgemaakt, met verdunde verven zo is aan het verfoppervlak (fig. 6 en 7) en in dwarsdoorsnede te zien (23/1 = fig. 3). De schaduwen in de lichamen bestaan uit de bruine transparante doodverf waarop nog wat donkere toetsen zijn geplaatst. Blauwachtige halfschaduwen zijn verkregen door hierop bleekroze verf te verdrijven (23/1 = fig. 3), zodat de doorschemerende donkere onderlaag deze passages een koele toon geeft. Van Thulden lijkt in het lichaam van de man krijt als wit pigment te hebben gebruikt in plaats van loodwit om de transparantie van de verf te vergroten (fig. 3). Alleen de belichte passages van de slaande soldaat, de huidtinten van de vrouw en de gezichtjes van de voorste kinderen zijn uitvoeriger en met meer dekkende verf opgemaakt. De differentiatie in de uitwerking en de daardoor veroorzaakte verschillen in de dikte van de verflaag zijn goed zichtbaar in doorlicht (fig. 4).

cat_nr_29_fig_04.jpg
fig. 4. Doorlichtopname van het Deel van de triomfstoet, met gevangenen.
In de doorlichtopname tonen de dun geschilderde, belichte zones van de tors van de gevangene rechts heel licht en vlekkerig. Ook het hoofd van de soldaat links is zeer licht. De belichte passages in het lichaam van de vrouw zijn meer dekkend opgemaakt en daardoor donkerder in de opname. In doorlicht tekenen schaduwzones relatief donker af. Zelfs wanneer ze heel dun zijn aangebracht, zoals in de tors van de gevangen man rechts. Dit komt doordat de donkere verf licht absorberende pigmenten bevat. In vergelijking met de schaduwen bij de man is de kop van de hond, die dekkend is opgemaakt, zeer donker in doorlicht. Deze kop is ook weer veel donkerder dan de dun geschilderde achterhand van de hond.

In het lichaam van de rechter man is tussen de onderschildering en opmaakverf een dun (ca. 1μm) bindmiddellaagje aangetroffen (fig. 5). Een dergelijk laagje lijkt ook aanwezig tussen de onderschildering en opmaakverf van de rode doek (2001/37). Blijkbaar heeft Van Thulden de onderschildering – of delen ervan - met een laagje olie of vernis ingewreven alvorens verder te werken, vermoedelijk om de verf gemakkelijker te kunnen verdrijven of om de kleur van de ingeschoten onderlaag te verzadigen.
Als laatste zijn de huidtinten voorzien van roze, rode en blauwige accenten en hooglichten (fig. 5 en 6). Bij de vrouw, de gevangen man links en de kinderen werd ook plaatselijk zeer dun roze verf verdreven. Omdat de opmaakverf verder zo summier is, zijn deze finishing touches veelal direct op de onderschildering gezet (fig. 6).

cat_nr_29_fig_05 23x2-100xsc.jpg
fig. 5. Dwarsdoorsnede 23/2 uit een hooglicht uit de borstpartij van de gevangen man rechts, in normaal licht.
4. hooglicht: loodwit, transparante deeltjes gele lak die in UV-licht geel fluoresceren, één korrel rode lak (ca. 50
µm)
3. transparant laagje dat sterk fluoresceert in UV-licht (< 1
µm)
2. licht oranjebruine verflaag: loodwit, fijn bruin en oranjebruin aardpigment (ca. 50
µm)
1. grondering: loodwit, weinig omber


Van Thulden heeft bijna alle contouren van de figuren met lijnen aangezet (fig. 8). De vormen in de achtergrond zijn omrand met geprononceerde bruine lijnen, maar bij de figuren vooraan variëren de lijnen in dikte, kleur en scherpte. De rechterarm van de vrouw is omrand met een vrij scherp getrokken bruine lijn. De beschaduwde, onuitgewerkte zijde van haar gezicht heeft een onscherpe contour bestaande uit een reeks grijsblauwe en roodbruine lijnen. De diffuse contour maakt dat dit deel van haar gezicht terugwijkt, zodat de aandacht volop uitgaat naar haar uitgelichte kwetsbare hals (fig. 8).

2.2.3. veranderingen tijdens het ontstaansproces
Er zijn slechts enkele verschuivingen. De grootste betreft de achterste boog van het gewelf. Deze liep oorspronkelijk aan de linkerzijde wat lager en schemert nu door de blauwe verf van de lucht. Daarnaast zijn er op veel plaatsen kleine verschuivingen ten opzichte van de eerste lijntekening of de onderschildering. Zo laten lijnen in het rode wapenschild zien dat de drie witte kruisen eerst op een iets andere plek en als een iets bredere vorm waren aangeduid. De arm van de slaande soldaat is naar beneden geschoven. De eerste arm schemert nu door de verf van zijn gezicht en haar (fig. 2).

2.2.4. verouderingsverschijnselen
De huidtinten van de gevangenen en soldaten zijn veel bleker dan die in Van Thuldens andere voorstellingen in de zaal. Dit kan deels zijn veroorzaakt door het gebruikt van lichtgevoelige organisch rode en gele pigmenten. Deze pigmenten gebruikte de schilder eveneens in zijn Deel van de triomfstoet, met bloemenstrooiende vrouwen en een olifant  (cat. nr. 23) waar de huidtinten aanzienlijk zijn verbleekt. In dwarsdoorsnedes uit het lichaam van de gevangen man rechts is zichtbaar dat de bovenste verflaag geel fluorescerende deeltjes bevat die in normaal licht transparant zijn (23/1, 23/2 = fig. 3 en 5). In 23/2 werd met SEM-EDX aangetoond dat deze deeltjes de elementen Ca en Al bevatten (één meting gaf Al, S, K, Ca), wat duidt op het gebruik van een lak. In de dwarsdoorsnede is de verf in de diepte daadwerkelijk wat gelig en deze bevat ook een deeltje rode lak. Aangezien het schilderij pal naast het raam hangt en veel licht vangt, zal de verbleking al vroeg zijn ingetreden. Alleen tussen 1805 en 1940 hing het doek minder in het licht; toen hing het op de plaats van Van Campens Deel van de triomfstoet, met geschenken uit de Oost en de West (cat. nr. 24).  Ook in de halfschaduw vlak boven de navel van de gevangen man rechts werd in een verfmonster (23/1) met SEM-EDX het element Ca (calcium) gedetecteerd, wat duidt op krijt (calciumcarbonaat). Dit kan hebben gediend als substraat voor de gele lak. Echter, in 23/1 is zoveel krijt aanwezig en zo weinig loodwit dat vermoed wordt dat (ook) puur krijt als pigment is gebruikt.
In de lucht is smalt en loodwit gebruikt, dat in twee à drie lagen is aangebracht. Het smalt is ontkleurd (23/6). De lucht zal dus oorspronkelijk helderder van kleur zijn geweest.

2.3. signatuur en opschriften
2.3.1. signatuur
rechtsonder: T.v.Tulden / fect. An o. / 1648

2.3.2. opschriften
Op het vaandel links: S.P.Q.L.
Bij de omgeslagen linkerrand is een opschrift op het doek te zien dat zich deels onder de omgeslagen doekrand bevindt (fig. 1).

2.3.3.
 opschriften met houtskool op het pleisterwerk in de Oranjezaal
geen 

2.4. restauratie
2.4.1. onderzoeksgegevens restauratiegeschiedenis
geen nadere gegevens beschikbaar

2.4.2.
 conditieopname voor de jongste behandeling
Het doek was in zeer goede staat met slechts kleine deformaties aan de randen en een scheurtje bij de rand rechtsonder. De vernislagen waren vergeeld en in de onderste helft gecrepeerd. Het spanraam was met stukken hout in de hoeken en twee extra verticale steunlatten grof hersteld. Er waren spieën toegevoegd in de hoekverbindingen. De opspanning was in goede staat. In de linkervoet van het kind op de voorgrond werd het doek in het verleden beschadigd. Deze beschadiging bevindt zich op dezelfde hoogte vanaf de vloer en op dezelfde afstand van het raam als een vergelijkbare beschadiging in de hiel van de knielende figuur op de voorgrond van De Grebbers Deel van de triomfstoet, met vaandeldragers en krijgsbuit (cat. nr. 30) aan de andere zijde van de raampartij. Gezien de grote overeenkomst in de aard en de plaats van de beschadiging in beide doeken is deze waarschijnlijk ontstaan doordat de knop van een raam of balkondeur herhaaldelijk het doek raakte. Deze schade is vermoedelijk al vroeg in de achttiende eeuw ontstaan.

2.4.3. jongste behandeling
Het verwijderen van oppervlaktevuil en het fixeren van de verf gebeurde op de gangbare wijze. De vernislagen en kleine verkleurde retouches zijn verwijderd. Vullen en retoucheren, alsmede het aanbrengen van slotvernis gebeurde op de gebruikelijke manier. Het spanraam werd in de oorspronkelijke staat hersteld.
Restauratoren: EM, MtM, PM, JvO, LeSp.

3. Documenten en bronnen
3.1. documenten en bronnen gerelateerd aan het ontstaan van het schilderij
3.1.1. geschreven bronnen
Gissinge van Van Campen, 10 Maij 1649 (KHA, A 14: Frederik Hendrik, inv. nr. XIII – 23, fol. 17).
Het schilderij is een van de ‘8 stucken van de triumpe 500 4000’.

 3.1.2. tekeningen, olieverfschetsen
geen

4. Commentaar (Margriet van Eikema Hommes en Lidwien Speleers)
Het meevoeren van gevangenen en wapenen vormt een traditioneel onderdeel van een klassieke triomfstoet. In Van Thuldens Deel van de triomfstoet, met gevangenen verwijzen de wapens van Den Bosch en Breda op de meegevoerde wapenschilden naar de militaire successen van Frederik Hendrik: de inname van Den Bosch in 1629 en van Breda in 1637. Twee herautstukken van Van Couwenbergh verwijzen ook naar deze overwinningen (cat. nrs. 37b en 37d). Mogelijk was het de bedoeling dat ook de erachter hangende, niet-uitgewerkte wapenschilden in Van Thuldens schilderij zouden refereren aan door Frederik Hendrik veroverde steden.1
De hoofdfiguren in Van Thuldens voorstelling zijn direct ontleend aan De triomf van Saul op de orgelluiken in de Grote of St. Laurenskerk te Alkmaar, die door Van Campen waren ontworpen en in 1643-44 door Van Everdingen werden uitgevoerd.2  In beide werken zien we een gevangen man en vrouw, slechts in witte lendendoeken gehuld, die door een soldaat met opgeheven arm worden voortgedreven. Vlak voor de man en vrouw zijn een jongen en meisje uitgebeeld wier houding die van de volwassenen herhaalt. De opvallende overeenkomsten tonen dat Van Campen aan Van Thulden gedetailleerde instructies moet hebben gegeven over de compositie en de uit te beelden figuren.

Hoe vergelijkbaar de houding van de hoofdfiguren in de twee voorstellingen ook mag zijn, ze vertoont ook een opmerkelijk verschil: terwijl de man en vrouw op het orgelluik naar elkaar toe buigen, wijken hun bovenlichamen juist in Van Thuldens schilderij, alsof ze met harde hand uit elkaar worden gedreven.3  Dit dramatische uiteenwijken herhaalt zich in de poses van het jongetje en meisje onderin de voorstelling. Een ander verschil met de orgelluiken is dat Van Thulden veel meer aandacht heeft besteed aan de uitbeelding van de treurnis van de gevangenen (fig. 8) en de wreedheid van de soldaten (fig. 2) door middel van hun lichaamshoudingen en gezichtsuitdrukkingen. De nadruk op het verdriet van de gevangenen vinden we ook bij Plutarchus wanneer deze beschrijft hoe in de triomfstoet van Aemilius Paulus de jonge kinderen van de overwonnen Macedonische koning Perseus samen met hun leraren en pleegouders werden meegevoerd. Hun smart was zo groot dat de Romeinse omstanders getroffen werden door diep medelijden.4  

Van Thuldens gevangenen hebben een zeer bleke huidskleur maar of de schilder hiermee hun treurige geestesgesteldheid heeft willen aangeven is niet zeker. Het lijkt eerder het gevolg van verbleking van de lichtgevoelige organisch rode en gele pigmenten die in de huidtinten zijn gebruikt (zie 2.2.4. verouderingsverschijnselen). Het doek is, zoals hierna zal worden uitgelegd, bovendien grotendeels in de doodverf gelaten en in dit stadium van het schilderproces gebruikte Van Thulden hoe dan ook bleke huidtinten (zie cat. nrs. 12 en 23).

Schildertechniek en picturale middelen (Margriet van Eikema Hommes en Lidwien Speleers)
Het Deel van de Triomfstoet, met gevangenen dateert uit 1648 en is daarmee het eerste van de zes schilderijen die Van Thulden voor de Oranjezaal leverde. Het doek hangt links van de raamwand. Van Thulden heeft, in opdracht van Van Campen, de lichtrichting in de stoet hierop afgestemd want de figuren worden schuin van rechts beschenen. Ook het weergegeven felle zonlicht is met het oog op de plek in de zaal gekozen.5  In Van Thuldens stoet zijn de mensen vooraan, vooral de halfnaakte vrouw, het sterkst uitgelicht. De lichamen hebben hier bleke lichtzones en scherp afgebakende donkere schaduwen waarin reflecties een belangrijke rol spelen. In het verleden zijn deze harde schaduwen wel bekritiseerd, echter zonder dat men zich ervan bewust was dat Van Thulden hiermee een specifiek soort licht heeft willen uitbeelden.6  Van Thulden gaf het sterke modelé reeds bij onderschildering aan. De donkere schaduwen zijn voorbereid met transparant donkerbruin (fig. 2, 3, 6) terwijl de belichte partijen met huidkleur zijn aangeduid (fig. 5).
De triomfstoet is veel minder ver uitgewerkt dan de andere schilderijen van Van Thulden in de Oranjezaal. Het gewelf van de poort en ook de zwikken bestaan uit niet meer dan een streperige bruine doodverf. Het doek is daarmee het enige deel van de triomfstoet zonder uitgewerkt cassetteplafond.

cat_nr_29_fig_06.jpg
fig. 6. Detail met tors van de mannelijke gevangene rechts.
De schaduwen bestaan, afgezien van een paar donkerbruine toetsen, uit de bruine transparante doodverf waar de grondering doorheen schemert. Grijze halfschaduwen zijn verkregen door huidkleurige verf dun op de bruine doodverf te verdrijven. In de lichte zones is er een huidkleurige laag met daarop plaatselijk dun aangebrachte roze en grijzige verven en lichtaccenten. Door de dunne verflaag schemeren lijnen van de ondertekening.


De doodverf is eveneens grotendeels zichtbaar in de soldaten, kinderen en de vlaggen en vaandels in de achtergrond (fig. 7). Ook de gevangenen vooraan zijn zo summier opgemaakt dat de grondering op allerlei plaatsen doorschemert en open is gelaten (fig. 6). Alleen de slaande soldaat, de vrouw en de gezichtjes van de voorste kinderen zijn opgewerkt tot het niveau dat we kennen van de hoofdfiguren uit Van Thuldens andere werken. Extra opmerkelijk is dat het hier om een werk gaat dat direct op ooghoogte hangt. Ook in Van Thuldens De Nederlandse Maagd biedt Frederik Hendrik het opperbevel aan (cat. nr. 16) is een aantal passages schetsmatig gelaten, maar dit valt vanwege de grote afstand tot de toeschouwer nauwelijks op. Bovendien zijn daar de protagonisten wél dekkend en met details geschilderd, terwijl in deze triomfstoet ook de hoofdfiguren summier zijn uitgewerkt.

cat_nr_29_fig_07.jpg
fig. 7. Detail met gezichten van twee kinderen.
Het gezicht van het kind links bestaat grotendeels uit bruine en grijzige transparante onderschildering, waarop met loodwithoudende bleekroze en grijze verf wat lichte accenten zijn aangegeven. In het gezicht van het meisje is goed te zien dat de verf dikker wordt naar het licht toe: in de bruine schaduwen rond de ogen schemert de grondering door, de sterk verdreven verf van de wang is hier dun over uitgeborsteld, in het hoogste licht achter het oor is de verf dik en de toets nog herkenbaar.


Kunstkenners in het verleden vonden dit al opmerkelijk. Jan van Dyk schreef in 1767: ‘Dit stuk is geschildert door Van Tulden, maar is niet geheel opgeschildert, het geene niet alleen aan de voorste beelden, maar ook aan het verwulfzel van de poort klaar te zien is: Het geen de dood-verf aantoond.’7  Latere auteurs wezen op de fletse kleuren en de grove uitvoering van het doek waarbij men er, in tegenstelling tot Jan van Dyk, niet altijd rekening mee hield dat het doek grotendeels als doodverf is gelaten.8  Wanneer men zich hier wel van bewust was, werd op grond hiervan geconcludeerd dat het schilderij onvoltooid is, echter zonder hiervoor een verklaring te geven.9  Dat het doek is gesigneerd, biedt wat betreft de staat van voltooiing geen uitsluitsel. In de zeventiende eeuw luidde het plaatsen van de signatuur niet altijd het moment van voltooiing in.10  In de Oranjezaal werd één van de door Van Couwenbergh geschilderde herauten (cat. nr. 37a) reeds - mogelijk zelfs drie jaar - voorafgaand aan de daadwerkelijke voltooiing, van signatuur én datering voorzien.

Wie ervan uitgaat dat deze stoet vanwege zijn onuitgewerkte staat onvoltooid is, laat buiten beschouwing dat bij onvoltooide schilderijen in de regel duidelijk te zien is dat het schilderproces abrupt is afgebroken.11  Bij Van Thuldens stoet is dit echter beslist niet het geval. Hoewel in de gevangenenstoet de meeste passages schetsmatig zijn gelaten, zijn andere passages, als gezegd, wel degelijk opgewerkt met dekkende verf en details. Het blijkt nu dat de verdeling tussen de schetsmatige en meer uitgewerkte delen veel weg heeft van die in Van Thuldens andere doeken in de Oranjezaal. Hoewel deze stuk voor stuk tot een hoger niveau zijn opgewerkt, verschilt ook daar binnen één voorstelling de mate van uitwerking sterk; figuren (of delen daarvan) die veel aandacht behoeven zijn niet alleen het sterkst uitgelicht, maar ook steeds het meest dekkend en precies geschilderd (cat. nrs. 12 en 16). De hier besproken stoet is volgens hetzelfde principe opgebouwd, ook al is het doek in zijn geheel schetsmatiger gelaten.

Het gezicht van de slaande soldaat is ver uitgewerkt, terwijl de figuren daarachter bijna volledig uit de doodverf bestaan (fig. 2). Bij de vrouw zijn de buik en borsten dekkend geschilderd en daar is de verf ook glad verdreven, terwijl haar witte kleed alleen globaal is aangeduid. De tors van de gevangen man heeft ruw geschilderde donkere schaduwen, maar lichtere zones zijn genuanceerd gemodelleerd, ook al is de opmaakverf uiterst dun aangebracht (fig. 6). Blauwachtige halfschaduwen zijn verkregen door bleekroze verf over de bruine doodverf te verdrijven (fig. 3 en 6); de doorschemerende donkere onderlaag geeft de passage een koele toon. Om de transparantie van deze dunne, lichte verflaag te vergroten gebruikte Van Thulden voor de roze verf krijt als wit pigment in plaats van loodwit (fig. 3). Deze evenwichtige verdeling tussen schetsmatige en uitgewerkte passages lijkt uit te sluiten dat het schilderproces plotseling is afgebroken. Deze indruk wordt nog versterkt doordat de figuren voorzien zijn van allerlei accenten en details die Van Thulden, zo weten we uit andere werken, pas in de laatste fase van het schilderproces aanbracht (zie cat. nr. 16). De lichamen hebben rode, roze en blauwige accenten en felle hooglichten (fig. 5 en 6) en de contouren zijn met gevarieerde lijnen geaccentueerd (fig. 8). Als het doek al onvoltooid is, dan is het schilderproces niet abrupt afgebroken, maar heeft de meester als het ware geanticipeerd op het feit dat het half-voltooid zou blijven.

cat_nr_29_fig_08 - 102-0211_IMG.JPG
fig. 8. Detail met het gezicht van de vrouw.
De ellende van de vrouw komt tot uiting door de tranen, de roodomrande ogen en de bleke lippen. De contour links is vaag gehouden en versmelt bijna met de schaduw erachter.


Maar waarom is deze stoet dan zoveel minder uitgewerkt dan Van Thuldens andere grote doeken? Dit kan heel goed te maken hebben met de onduidelijkheden over de invulling van de poort. Het blijkt dat in 1648, toen Van Thulden dit werk schilderde, nog geen uitsluitsel bestond over de diepte van de poort, de invulling van het gewelfde plafond en de zwikken. Ook De Grebber en Soutman ontbrak het in hun stoeten uit 1648 aan deze informatie waardoor zij het gewelf en de achtergrond in eerste instantie openlieten (cat. nrs. 21 en 30). Pas in de loop van 1649 of 1650 werd duidelijk hoe poort en gewelf moesten worden geschilderd (cat. nrs. 14 en 24). De Haarlemse schilders De Grebber en Soutman vulden hun achtergronden en poorten naderhand nog in, maar Van Thulden uit Den Bosch liet dit achterwege. Voor de invulling van de zwikken blijkt tot aan het einde toe onduidelijkheid te hebben bestaan. In de meeste delen van de triomfstoet zijn deze zones dan ook opengelaten.

De summiere wijze waarop Van Thulden zijn figuurgroep heeft uitgewerkt, lijkt dus met de onduidelijkheden in 1648 te maken te hebben. De manier waarop deze figuren zijn geschilderd vertoont namelijk een opmerkelijke overeenkomst met Van Thuldens olieverfschetsen, en dan wel die groep schetsen die, gezien de uitgebreide opschriften die de inhoud van de voorstelling verduidelijken, bedoeld zijn om Van Thuldens opdrachtgevers een indruk te geven van het uiteindelijke schilderij.12  Dit type schetsen is, net als het doek in de Oranjezaal, snel en ruw uitgevoerd met bruine en grijzige transparante verf, terwijl de belangrijkste passages preciezer zijn geschilderd en voorzien zijn van allerlei kleuraccenten en contourlijnen (zie cat. nr. 22, fig. 10). Van Thulden lijkt in deze triomfstoet op eenzelfde snelle manier aan zijn opdrachtgevers van de Oranjezaal een indruk te hebben willen geven hoe zijn schilderij er in voltooide toestand uit zou komen te zien. In dat geval is het goed denkbaar dat hij het doek in dit onaffe stadium naar Den Haag heeft gestuurd met de bedoeling het daar te voltooien, wanneer alle benodigde informatie voor de achtergrond en de triomfpoort beschikbaar was. Van Thulden zal het doek dan voor verzending hebben gesigneerd om zijn auteurschap te benadrukken, net zoals hij zijn olieverfschetsen vaak van zijn signatuur voorzag.13  Het voltooien van grote schilderijen op locatie was destijds gebruikelijk, zeker bij Rubens en schilders in diens omgeving.14  In de Oranjezaal is ook de De triomf  van Frederik Hendrik van Jordaens ter plekke voltooid (cat. nr. 32), evenals de door Van Couwenbergh geschilderde langwerpige doeken met herauten (cat. nrs. 37a-d). Waarom Van Thulden zijn doek nooit heeft afgemaakt, blijft helaas een mysterie.



[1]

Schneider 1928, pp. 10-11.

[2]

Van Eikema Hommes 2013 (1), pp. 50-52.

[3]

Een vergelijkbare houding als die van de man gebruikte Van Thulden een paar jaar later bij de Terugkeer van de Vrede (ca. 1654/1655), Wenen, Kunsthistorisches Museum; zie cat. tent. ’s-Hertogenbosch, Strasbourg 1991/1992, p. 74.

[4]

Capps, Page en Rouse  1918, pp. 443-445.

[5]

Over de lichtuitbeelding in de delen van de triomfstoet, zie: Van Eikema Hommes 2013 (3), pp. 190-196.

[6]

Hairs 1965, p. 29.

[7]

Van Dyk 1767, pp. 44-45.

[8]

Hairs 1965, p. 29; Roy 1991, p. 70.

[9]

Schneider 1928, pp. 9-11; Houbolt 1939, p. 72; Peter-Raupp 1980, p. 124.

[10]

Zo is een gesigneerd en gedateerd pronkstilleven van de Haagse schilder Jacques de Claeuw onvoltooid. Grote delen van de voorstelling, waaronder het tafelkleed, de bladeren en de druiven bestaan slechts uit een dunne streperige verflaag die elke nuancering mist (Jacques de Claeuw, Pronkstilleven met pauwenpastei , doek 96 x 132 cm, gesigneerd en gedateerd JDClaew 164., particuliere collectie). Het schilderij is afgebeeld in: cat. tent. Den Haag 1998, p. 111 fig. 4. Met dank aan Dr. Nico van Hout, die ons op Claeuws schilderij attendeerde.

[11]

Voor onvoltooide schilderijen, zie: Van Hout 2012.

[12]

Deze schetsen worden afgebeeld en besproken door Roy in cat. tent ’s-Hertogenbosch, Strasbourg 1991/1992.

[13]

Verschillende door Van Thulden gesigneerde olieverfschetsen worden vermeld door Roy in cat. tent ’s-Hertogenbosch, Strasbourg 1991/1992. In de signatuur van dit doek is Thulden geschreven als Tulden. Dezelfde spellingswijze is gebruikt in De opvoeding van Frederik Hendrik (cat. nr. 10), hoewel met krulleriger letters die meer lijken op de schrijfwijze op de andere vier doeken in de zaal. Buiten de Oranjezaal is de spellingswijze, voor zover de auteurs bekend, niet op schilderijen aangetroffen. Deze is alleen te vinden op gravures die wel door Van Thulden zijn ontworpen, maar niet door hem zijn uitgevoerd. Zie over signaturen in de Oranjezaal: Speleers 2005.

[14]

Vlieghe 2000 (1), pp. 196-197.

Datum laatste wijziging: May 01, 2015 10:24 AM